COLUMNS

Bij tijd en wijlen schrijf ik over mijn ervaringen in Amerika in de vorm van columns, vaak over gekke of bijzondere situaties binnen ons gezin, maar soms ook over ervaringen daarbuiten. Op deze site heb ik een aantal hiervan bij elkaar gezet met de bedoeling daar regelmatig een nieuwe aan toe te voegen.

2006  Stiften uit London Heathrow  
2004-2005 Sex in Jurassic Park Halloween
2004
(Het ziekbed van mijn moeder, aan wie De beste moeder van het heelal is opgedragen.)

Afscheid in de verfwinkel
Troost
Vlinders
2002-2004
(de tijd waarin mijn eerste drie prentenboeken werden geschreven)
Experimenteergeest
Bh's en Jongens
Sleepover Party
Tandenfeetje
Goochelen
Blindedarm op Zolder

 

STIFTEN UIT LONDON HEATHROW                                September 2006

Hoe ouder kinderen worden, hoe gemakkelijker het wordt om met z’n drieën te reizen. Het is nu mijn zoon van negen die in de gaten houdt dat niets en niemand kwijt raakt, terwijl zijn vier jaar oudere zus de stemming er voor iedereen inhoudt.
       Ikzelf hoef er alleen nog maar voor te zorgen dat alles goed is ingepakt. Twee weken na de verijdeling van een terroristenplot is dat lastig. We moeten in London Heathrow op een ander vliegtuig overstappen en drink- of smeerbare dingen mogen niet meer in de handbagage. Gelukkig is er nu één tas per persoon toegestaan, met daarin alleen het hoogstnoodzakelijke.
       Voor Tim bestaat het hoogstnoodzakelijke uit zijn knuffelbeesten en wat boeken. Hij wil niet tekenen op deze vliegreis. Zijn kleine art case met kleurpotloden, stiften en krijtjes, die deze zomer naar al onze logeeradressen is meegegaan, mag dus niet bij hem in de tas.
       Voor een dertienjarig meisje zijn er een hoop meer dingen hoogstnoodzakelijk. Maar wat er allemaal in Emma’s tas zit weet ik niet, want dat is zeer privé. Helaas heeft de veiligheidsbeambte die haar tas moet onderzoeken daar geen begrip voor. Tergend langzaam en met zichtbare weerzin haalt hij Emma’s spulletjes één voor één eruit.
       Tims art case, die ik op het laatste moment in Emma’s tas heb gestopt, wordt het laatst geïnspecteerd. De beambte opent het koffertje, pakt een paar stiften en schudt ze heen naast zijn oor heen en weer. “I’m afraid these can’t come with you,” zegt hij somber. “They contain liquid.”
       Als Tim dit hoort zet hij het op een brullen. Daar staan we, met onze schoenen in de hand, een lange rij mensen voor en achter ons en een vliegtuig dat over veertig minuten moet vertrekken. Je bedenkt pas later wat je allemaal had kunnen zeggen om de stiften te redden. Maar nu kan ik me alleen concentreren op het vinden van ons vliegtuig en het kalmeren van mijn zoon.
       “What is going to happen to the markers?" huilt Tim terwijl we onze schoenen weer aantrekken. Voor Tim hebben alle dingen een ziel en is het idee dat iets wordt weggegooid onverdraaglijk.
       Emma neemt het heft in handen. Ze slaat een arm om Tim heen en zegt sussend: “Oh, ze sturen die stiften gewoon naar ons op, dat weet ik zeker”. En, met een waarschuwende blik in mijn richting: “Welke kleuren waren het, en weet je nog het merk?”
       Ik zie dat haar radertjes beginnen te werken. En ja, waarom niet? Als we dezelfde stiften niet in een winkel kunnen vinden, dan doen we dat wel via het internet.
       “Ja hoor,” roep ik luchtig, “Die stiften krijgen we wel weer terug. Als je ze maar een brief stuurt met ons adres”.
       Het duurt nog uren voordat ons vliegtuig vertrekt en nog veel langer voordat we in Amerika eindelijk in ons bed liggen. Maar als ik de volgende ochtend met jetlag wakker word heeft Tim zijn brief al geschreven.
       “Dear Air Plane Poeple,” begint het, en dan volgt een verhaal waar geen oog droog van kan blijven. Tim kan de tekening voor zijn vader, die hij al heel lang niet had gezien, niet meer afmaken. Hij eindigt theatraal: “When I look at my case it has pencils and crayons but no more markers!” In de rest van de brief worden merk, kleur en lengte van de stiften uitvoerig beschreven.
       Zo’n brief kan niet onbeantwoord blijven. Emma en ik gaan onmiddelijk op zoek. Maar de stiften zijn nergens meer te krijgen. Er zit niet anders op: als Tim bij een vriendje speelt kopen wij een nieuwe art case.
       Thuis verdwijnt Emma onmiddellijk achter de computer om een brief te schrijven. Ze ondertekent de brief met Albert Noverus, hoofd van Heatrows veiligheidsdienst, een naam waar Emma erg trots op is want ze heeft er het latijnse woord voor true voor opgezocht. De brief zelf heeft veel dure woorden, want dan lijkt het echter.
       “It deeply pains us to say that we were not able to find your markers,” schrijft Emma. Alle in beslag genomen goederen zijn namelijk doorgestuurd naar kinderen in Zuidoost Azie en Noord Afrika. “We understand that the sentimental aspect of your markers will never truly be restored,” besluit Noverus. Maar toch stuurt Heathrow Airport hierbij een nieuwe art case, zodat Tim de tekening voor zijn vader af kan maken.
       Om het helemaal echt te maken ontwerpt Emma een mooi briefhoofd dat we meteen uitprinten op een etiket. Dat kan mooi op het postpakket worden geplakt op de plaats voor de afzender.
       Ik bel mijn vriendin in Londen om te vragen of ze me Engelse postzegels kan sturen. Als die een week later in de post arriveren tuig ik met de hele enveloppe naar ons plaatselijke postkantoortje. Ik kom thuis met een prachtig pakket vol airmail, parcel post en first class stempels.
       Ik zal de stralende blik van Tim als hij de brief voorleest nooit vergeten. En het glunderende gezicht van zijn zus nog minder. Als Tim er ooit achter komt wie de brief werkelijk heeft geschreven begrijpt hij hopelijk met hoeveel liefde het is gebeurd.

 

 

SEX IN JURASSIC PARK                                                                       Lente 2005

Mijn zusje in Nederland leeft in een mannenhuishouden. De humor van zonen en echtgenoot staat vaak in het teken van het onderlijf en zijn functies.
       Bij ons thuis hier in Amerika is dat nooit zo geweest. Er is hier ook maar één zoon in huis en zijn twaalfjarige zus is een geboren feministe. Verder deelt Tim niet vaak de belangstelling van andere jongens. Voor autootjes en voetbal heeft hij bijvoorbeeld nooit belangstelling gehad. Hij is altijd meer geïnteresseerd geweest in dieren en dinosaurussen.
       We wonen bovendien in een andere cultuur. Het gebruik van zogenaamde bathroom language wordt in Amerikaanse gezinnen niet bijzonder aangemoedigd. En hoezeer televisie en commercie er ook mee doorspekt zijn, het onderwerp sex is niet zo bespreekbaar.
       Zo'n dubbele moraal kan tot een hoop problemen leiden. In mijn gesprekken met de kinderen heb ik het onderwerp sex dan ook nooit geschuwd. Maar hoeveel voortplanting in Tim' natuurvideos ook aan de orde komt, ik zal een jongetje van acht niet gemakkelijk blootstellen aan een speelfilm voor volwassenen.
       Mijn echtgenoot Bas is een stuk minder moeilijk in dit soort dingen. Gisterenavond nam hij voor onze zoon de film Troy mee van de videotheek. Tim is als gevolg van een computerspel tegenwoordig helemaal gek van Griekse mythologie. Hij heeft al diverse kinderboeken over Griekse goden en helden verslonden en de Trojaanse oorlog speelt daarin een belangrijke rol.
       “Ik wil wel eerst even kijken of die film geschikt is voor Tim,” zegt Bas tot mijn verrassing.
       Maar Tim wil de film natuurlijk meteen bekijken. “Twee kinderen van mijn klas hebben hem gezien, en er kwam GEEN sex in voor!” roept hij.
       “Dat kan ik me niet helemaal voorstellen,” zeg ik. “Want die film is voor volwassenen gemaakt. En de meeste films voor volwassenen hebben wel iets met sex erin.”
       “Waarom dan?” vraagt Tim.
       Ik denk even na. “Omdat veel grote mensen dat leuk vinden,” zeg ik dan maar. “Misschien omdat ze zich dan extra groot voelen.” Na tien jaar in Amerika word je vanzelf wat moralistisch.
       “Maar in Jurassic Park komt geen sex voor!” roept Tim. “En die was ook voor volwassenen gemaakt!” Onze zoon heeft behalve documentaires over dinosaurussen ook alledrie de Jurassic Park videos.
       “Misschien is het veel te moeilijk is om aan sex te denken met allemaal dinosaurussen om je heen,” opper ik.
       Tim moet daar vreselijk om lachen. “Nou,” roept hij. “In Troy is het ook veel te moeilijk om aan sex te denken. Want iedereen voert de hele tijd oorlog!”
       Tja, dat is waar. Griekse mythology is natuurlijk een fantastisch onderwerp. Maar net als veel Amerikaanse moeders houd ik niet zo van geweld in films. En er wordt een hoop bloed vergoten daar in Troje!
       Misschien moeten we de film gewoon maar samen met de kinderen bekijken. Dan kan ik, op z'n Amerikaans, lekker belerend doen tijdens het kijken. En als ik het zelf niet doe, dan doet mijn dochter dat wel. Want die is behalve feministisch tegenwoordig ook pacifiste.

 

 

 

HALLOWEEN                                                                           October 2004

Na een lange, hete zomer is eindelijk de herfst aangebroken. En herfst betekent voor Amerikaanse gezinnen: Halloween.
       Halloween is op 31 oktober, maar winkels hangen al in september vol met kostuums. Je ziet veel dezelfde heksen, spoken, sprookjesfiguren en filmhelden in de Halloweenparades op school of in de stad. Maar het belangrijkste is de avondlijke tocht langs huizen in de buurt. Als je aanbelt krijg je snoep van de bewoners: trick or treat.
       Kinderen hebben het er al weken van tevoren over hoe ze verkleed willen gaan. Een beetje handige ouder maakt het kostuum natuurlijk zelf. Ik heb in het verleden vele kostuums in elkaar gezet, van een elfjeskostuum toen Emma vijf was tot een kartonnen marsmannetjespak voor Tim, bedekt met knipperende ogen op steeltjes. Zoiets kost dagen werk. Maar de afgelopen jaren heb ik me minder moeite getroost voor die kostuums. We hebben thuis namelijk nog iets veel leukers ontdekt: het Halloween feest.
       Het begon, jaren geleden, met de groene hand van Frankenstein die in de aanbieding was van de Party Shop. Als je in je handen klapte gingen z'n vingers wandelen. Voor tien dollar kan je dat toch echt niet laten liggen! Toen mijn echtgenoot een dag daarna thuiskwam met een schroef door zijn nek was het hek van de dam.
       Een paar weken later lag er op ons eerste griezelfeest dan ook een groengeschminkte Bas op de grond te kreunen om zijn hand. Door het geluid geactiveerd kwam het ding op de bezoekers toelopen. In het trapgat hing een lakenspook te wapperen boven een ventilator. De rest van de huiskamer was versierd met andere griezelspullen: een bloedende voet, een masker en een skelet, schedels, en een grafsteen van piepschuim.
       In de loop der jaren is onze Halloweenverzameling danig gegroeid. Op de dag na Halloween kun je een hoop moois kopen voor de helft van de prijs. Onze fog machine is al op diverse verjaardagspartijtjes gebruikt. We hebben lichtgevende handschoenen en skeletten, en een rondracende rat met lichtgevende rode ogen, een gillend spookje achter een grafsteen en een rondglijdend glas dat nooit van de tafel valt. In onze kartonnen doodskist kun je Dracula spelen.
       Er hebben in de afgelopen jaren al vele kinderen en volwassenen gelachen en gegriezeld om onze spullen. Maar hoe verzin je iedere keer weer iets nieuws?
       Vorig jaar heb ik me uitgeleefd in een mysteryfeestje, waarin Emma's nietsvermoedende vriendinnen een moord moesten oplossen. Het lijk, dat ze in de badkamer vonden, had ik gemaakt van een hoop oude kleren en een los hoofd en bebloede hand uit onze collectie. De hand kon dit keer mooi een boodschap in nepbloed achterlaten op de vloer.
       Er gaat niets boven het opgewonden gegil van elf- en twaalfjarigen die met een zaklantaarn een bloedspoor volgen in de tuin. Maar een griezelfeest is, behalve een hoop lol, ook een hoop werk. De verwachtingen in de buurt zijn na vier zulke feesten hooggespannen. Maar of ik dit jaar die energie weer op kan brengen?
       Emma en Tim willen deze keer hun kostuum zelf maken. Emma wordt een Gevallen Engel met veel verband om haar vleugels. Tim wil de Griekse god Hermes zijn met gouden vleugeltjes aan zijn schoenen en baseballpet. Bas komt waarschijnlijk op het laatste moment nog met iets geks.
       En ik? Ik ben dit jaar misschien maar eens gewoon zo'n moeder die snoep uitdeelt aan de voordeur. Uit een schaal met een hand die naar de kinderen graait, dat wel.

 

AFSCHEID IN DE VERFWINKEL                                                         Maart 2004

Mijn moeder van 72 heeft kanker. Ze was er heel snel bij maar er is al niks meer aan te doen. Ze kunnen alleen nog maar “rekken”. Al een dag na de vreselijke diagnose hebben mijn ouders besloten dat ze alleen maar kiezen voor pijnbestrijding.
       “Als ik moet kiezen tussen kwantiteit en kwaliteit dan kies ik voor het laatste” zegt mijn moeder flink. “Ik wil kunnen genieten van de laatste maanden die ik nog met jullie heb.”
       Hoe lang dat is weten we niet, maar mijn moeder, een enorme realist, denkt in maanden. Als ik over wil komen dan kan ik dat maar beter nu kan doen, zegt ze praktisch, nu ze nog “goed” is. Die lang geplande DVD speler moet nu dan ook maar worden aangeschaft. Dat geeft wat afleiding voor als ze bedlegerig wordt en dat is ook fijn later voor mijn vader.
       Een week later zit ik in het vliegtuig. Bas zorgt voor de kinderen.
       “We gaan niet de hele tijd huilen hoor!” zegt mijn moeder door de telefoon. “We gaan het ook heel gezellig hebben”.
       Mijn broer haalt me op van Schiphol. Onderweg halen we bij mijn zus een extra plank op voor de nieuwe DVD speler in het televisiekastje. Als we rond koffietijd bij mijn ouders aankomen staat er al gebak klaar. Mijn moeder is nog knuffeliger dan gewoonlijk. Het is nog niet aan haar af te zien dat ze ongeneeslijk ziek is, ze lijkt nog steeds onverwoestbaar.
       “Kom meid” zegt ze ‘s middags. “We lopen even de stad in. Ik wil zo lang mogelijk in beweging blijven. En ik heb beits nodig, voor de nieuwe plank”.
       Mijn moeder, nogal een doe-het-zelver, is al twintig jaar lang een goede klant bij de verfwinkel, een ouderwets klein familiebedrijf. Vader Piet is niet aanwezig maar beide zonen zijn er wel. “Dag mevrouw!” roepen ze hartelijk, want mijn moeder, met haar rode jasje en grijze haar, is in de buurt erg geliefd. “Hoe gaat het ermee?”
       Dit is de eerste keer dat haar die vraag gesteld wordt sinds het slechte nieuws. Ik ben blij dat ze het niet heeft gehoord en meteen vrolijk pratend naar de potten beits is doorgelopen.
       Maar de vraag wordt bij het afrekenen nog eens herhaald. “En hoe gaat het met u?”
       Mijn moeder, die zo goudeerlijk is dat ze zelfs een leugentje om bestwil niet over haar lippen kan krijgen, aarzelt even. “Tja” zegt ze dan. “Eigenlijk niet zo goed. Ik heb vorige week gehoord dat ik niet meer zo lang te leven heb.” En ze vat kort en bondig samen hoe de zaken ervoor staan.
       De mannen luisteren ontdaan.
       “Dus ik denk eerlijk gezegd” zegt mijn moeder, bijna verbaasd om zich heen kijkend, “dat ik jullie niet meer zal zien”. En ze steekt haar hand uit naar de oudste zoon.
       Die weet zich nog net te vermannen en pakt haar schouders beet voor een dikke zoen op beide wangen. De andere zoon buigt zich voorover en drukt een kus op haar hand, waarschijnlijk om zijn gezicht te verbergen.
       Ook mijn ogen staan vol tranen. Ik steek ter afscheid mijn hand op want “Tot ziens” lijkt nu niet zo op zijn plaats. Dan loop ik mijn moeder achterna, die het winkeltje al uit is.
       “Zo” zegt ze tevreden. “Daar heb ik toch maar mooi drie zoenen te pakken”. Ik slik de brok weg in mijn keel.
       “Moeder” zegt ik. “Je bent geweldig. Maar ik hoop niet dat je op deze manier afscheid zult nemen van alle winkeliers. Niet iedereen kan dat aan!”

 

 

 

TROOST                                                                           Maart 2004

Toen mijn kinderen hoorden dat mijn moeder ongeneeslijk ziek is moesten ze alletwee eerst heel hard huilen. Maar aan het einde van de dag had Emma, die de zonnige veerkracht van mijn moeder heeft geërfd, al een houding gevonden. Ten eerste was grootmoeder nog niet dood. En als dat eenmaal wel het geval was, dan zou ze er nog altijd zijn, alleen in een andere vorm.
       Als ex-katholiek heb ik zo mijn twijfels bij leven na de dood. Maar wetend hoe onverdraaglijk het tegendeel is, ben ik hemelsdankbaar, zal ik maar zeggen, dat Emma daar haar eigen gedachten over heeft.
       Tim van zeven heeft het een stuk moeilijker. Hij worstelt al maanden met vergankelijkheid. De dagen voor oudejaarsavond had hij bijvoorbeeld vreselijke huilbuien omdat het oude jaar nooit meer zou terugkomen.. Ook dingen die stuk gaan mogen nooit worden weggegooit. En zelfs fijne herinneringen vindt hij verdrietig, omdat ze gaan over dingen die voorbij zijn.
       Dat Tim niet wil praten over de naderende dood van zijn grootmoeder verbaast me dan ook niet. Ik maak me er nu nog maar geen zorgen over, want echte confrontatie is uiteindelijk toch onvermijdelijk. En iedereen moet tenslotte zijn eigen manier vinden om verdriet te verwerken.
       Vandaag had ik zelf een heel moeilijke dag. Mijn moeder heeft tot dusver met haar resoluut positieve houding de hele familie aangevoerd. Maar ik belde vanmiddag op een slecht moment, waarop ze zich wel heel erg ziek voelde.
       Nou houd ik het zelf nooit verborgen voor mijn kinderen als ik het even moeilijk heb. Een moeder is ook maar een mens, en ik denk dat het goed is voor kinderen om te zien dat ook ouders hun ups en downs hebben, zolang de nadruk maar is op de ups. Met mijn verdriet om mijn moeder wil ik bij mijn kleine tobber Tim echter voorzichtig zijn. Toch vindt hij me die avond, in een onbewaakt moment, in tranen.
       En voor het eerst in zijn leven zijn de rollen omgedraaid. Tim slaat zijn armen om me heen en zegt heel lief, in zijn half Nederlands-half Engels: “Niet huilen Heleen. Think of good thinks, nice things. Think of things you want.”
       Ik probeer me snel te vermannen.
       “Choose for the light side," gaat hij dapper door. "Don’t choose for the dark side.” Misschien speelt Star Wars hier mee, maar dan nog: waar haalt zo'n zevenjarig jongetje dat vandaan? Ik droog haastig mijn tranen, want die grote woorden komen toch wat dunnetjes uit zijn mond. We praten over wat meer dagelijkse dingen terwijl Tim zijn pyjama aantrekt.
      Als ik nog even bij hem in bed kruip wil ik toch eens weten wat er in zijn hoofdje omgaat. “Probeer je dat zelf ook te doen, aan fijne dingen denken als je verdrietig bent?” vraag ik. “En aan wat voor dingen denk je dan?”
       “O,” antwoordt hij, terwijl hij zich behaaglijk in mijn armen nestelt. “een smiley face, en speelgoed dat ik wil hebben. En een dilophosaurus”.
       Ik glimlach. Oké, een dinosaurus is misschien niet iets dat ieder kind met fijne dingen zou associeren. Maar gelukkig is mijn kleine paleontoloog toch gewoon een kind van zeven. En over zijn coping mechanism hoef ik me geen zorgen te maken.

 

 

 

VLINDERS                                                                           April 2004

Vandaag heeft mijn moeder haar eerste radiotherapie behandeling gehad. Ze doen het alleen voor pijnbestrijding, want genezen is er niet meer bij. De fotos gaven aan dat de kanker zich snel aan het verspreiden is. Maar mijn moeder klinkt nog steeds onverwoestbaar.
      Als ik haar bel is ze mijn vader net kookles aan het geven.
“Weet je,” zegt ze, terwijl ze mijn vader af en toe vanaf de bank aanwijzingen toe roept. “Je broer dacht dat het misschien goed zou zijn als je nog een keertje overkwam, tussen jullie komende bezoek en de zomervakantie in.”
      Over een week gaan we naar Nederland om het huwelijk van mijn broer en zijn vriendin bij te wonen, iets waartoe ze de dag na mijn moeders diagnose hebben besloten.
      “En dat betaal ik gewoon” roept mijn vader vanuit de keuken.
      “Ja lief van vader, hè” zegt mijn moeder tevreden.
      “Goh” zeg ik verbouwereerd, want tussen ons komend bezoek en de zomervakantie zitten maar drie maanden. “Ik had zelf eigenlijk gedacht in september te komen”. Tenslotte had de dokter het over zes tot twaalf maanden.
      “Tja meid” zegt mijn moeder rustig. “Maar of ik dat haal weet ik niet zo. En als ik me nog zieker ga voelen, dan weet ik ook niet of ik dat ook nog echt wel zou willen.”
      Mijn positieve en praktische moeder kijkt de dood in de ogen op dezelfde manier waarop ze altijd in het leven heeft gestaan. Vanaf het moment dat ze de diagnose te horen kreeg, nog geen twee maanden geleden, heeft ze op adembenemende wijze het voortouw genomen.
      Zo heeft ze besloten om, nu wij er toch zijn voor de bruiloft, dan ook meteen de dag erna haar ziekenzalving te doen. Mijn ouders zijn aktief katholiek, en ze doet dat laatste oliesel liever nu al, want dan heeft ze er zelf ook nog wat aan.
      De tekst voor deze plechtigheid hebben mijn ouders al helemaal voorbereid, samen met hun vriend Ben, die priester is en ook te zijner tijd de begrafenis zal leiden.
      “Je kan de tekst maar beter even van tevoren lezen” zegt mijn moeder. “Dan ben je een beetje voorbereid.” Zelf hebben ze er ook best bij gehuild, zegt ze, “Maar dat moet ook kunnen.”
      Dat wordt nog een zware dobber voor me, die dag. En dan moeten we in diezelfde week ook nog gaan kijken waar mijn ouders eergisteren een familiegraf hebben uitgezocht.
      “Weet je, dat kerkhof is maar vijftien minuten fietsen, is dat niet heerlijk voor vader?” Mijn moeder denkt altijd het eerst aan anderen. “En het is ook vlak bij Ikea” zei ze tegen mijn zus, die daar altijd graag naar toe gaat.
      Ik zal er zelf hier in Amerika niet zo gemakkelijk naar toe kunnen fietsen. Maar morgen wordt er in onze tuin een kuil gegraven voor een nieuwe vlinderstruik. Drie jaar geleden hebben we er eentje geplant voor mijn overleden schoonmoeder. Maar deze budleia wil ik planten als mijn moeder nog leeft. Dan kan ik haar per e-mail fotos sturen van hoe hij groeit en bloeit.
      En misschien, met een beetje geluk kan ze in de zomer de eerste vlinders nog zien.

Mijn moeder is in november 2004 in een hospice temidden van haar man en kinderen overleden. Ze heeft de gehele zomer nog in haar eigen woning kunnen doorbrengen.

 

EXPERIMENTEERGEEST                                                          Zomer 2002

Mijn vijfjarige zoon heeft een bijzondere belangstelling voor experimenten. Misschien komt het door zijn kleuterschool waar experimenteren zeer educatief verantwoord is. Misschien komt het door de geestige videos van Bill Nye the Science Guy, die we lenen van de bibliotheek. Daarin wordt natuurverschijnselen worden uitgelegd aan de hand van huis- tuin- en keukenexperimenten. Misschien hoort het gewoon bij Tim. Maar in ons huis wordt een hoop afgeëxperimenteerd.
       Zo heeft Tim een bijzondere obsessie voor onze vrieskist boven op de koelkast, in het Engels freezer genoemd en door ons gewoon vriezer. Sinds Tim met zijn vingers bij de deur kan vind je bijna dagelijks bakjes in de vriezer, of van die praktische afsluitbare plastic zakjes, gevuld met water. Daar zit dan altijd nog iets bijzonders in: suiker, snippers gekleurd papier of een plastic dinosaurusje.
       "Ik wil gewoon weten hoe het lijkt," zegt Tim dan in zijn gebruikelijke mengelmoes van Nederlands en Engels.
       "What it's like, hoe het eruit ziet," herhaal ik werktuigelijk. Helemaal begrijpen waarom dit experiment zo veel keren herhaald moet worden doe ik nog steeds niet.
       Soms heeft Tims experimenteergeest iets naargeestigs. Zo stopte hij gisteren enthousiast een plastic zakje in de vriezer, tot de nok gevuld met water waarin, heel zielig, een kleine beany baby poes. Of het kwam doordat Tim die dag ergens een schattig zeehondje had gezien in een verzameling andere beany babies weet ik niet. Maar hij had mij m'n botte weigering om het zeehondje mee naar huis te te nemen bepaald niet in dank afgenomen. Zijn belangstelling voor zijn poesje, waar hij die ochtend nog mee gespeeld, had hij al meteen demonstratief verloren.
       Het poesje is niet Tims eerste slachtoffer. Ook Sesamstraat-monstertje Elmo, door zijn zusje liefdevol als kerstkado van vilt gemaakt, heeft het danig moeten ontgelden. Maandenlang waren Tim en Elmo onafscheidelijk, maar toch heeft Elmo menig nacht in de vriezer door moeten brengen. Ook is hij twee dagen lang helemaal in plakband gewikkeld geweest. Dit, zo legde Tim uit, omdat spinnen insecten in spinrag wikkelen als ze zijn gevangen in een web.
       Het meest traumatisch voor Elmo moet toch wel zijn rit in de slacentrifuge zijn geweest. Was dit in eerste instantie nog droog, toen Tim eenmaal begreep dat je met zo'n apparaat het water uit de sla centrifugeert heeft de arme Elmo lang en vergeefs kleddernat rondgedraaid.
       Het is duidelijk dat Tim de liefde voor zijn knuffeldieren paart aan een praktische geest. Zo houdt hij van ham op zijn boterham, omdat zijn lievelingsdier een varken is. Als driejarige toonde hij deze kannibalistische liefde al. Had hij de hele dag gespeeld en geknuffeld met een koud geworden pannekoek, die na een paar happen in een draak was veranderd, aan het eind van de dag at Tim, tot verbijstering van de hele familie, de draak doodgewoon op. Nee, een vegetariër zal Tim nooit worden.
       Vanmiddag vond ik mijn zoon boven de wasbak in de wc, gebogen over een plastic zakje gevuld met water en een rietje erin.
       "Ik doe een experiment ," zegt hij, met het rietje tussen zijn tanden. "Ik kan praten met vissen." Ik hoor wat onverstaanbare klanken terwijl er luchtbellen aan het wateroppervlak verschijnen.
       "Ik zei Hello," roept Tim enthousiast. "En ze zeiden How do you do terug." Het gaat hier blijkbaar om onzichtbare vissen.
       "Doe dat maar niet met de echte vissen, Tim," zeg ik. Ik krijg al akelige visioenen van Tim hangend boven ons vijvertje.
       Als ik deze avond de vriezer opendoe staar ik in het bevroren gezicht van de beany baby poes. Het beest ziet er wat verloren uit. Ach, zolang het nog om knuffelbeesten gaat zal ik me nog maar geen zorgen maken.

 

 

BH'S EN JONGENS                                                                  Zomer 2002

Vandaag neem ik de kinderen mee naar het zwembad. Emma's vriendinnetje Rebecca, een leuke meid uit dezelfde klas, gaat ook mee.
      Als we ons in het verkleedhok staan af te drogen zegt Rebecca, "I have exactly the same bra as you have." Ze staat er bepaald bij te glunderen. Ik tuur naar beneden. De bh die ik aan heb is bij mijn laatste bezoek aan Nederland gekocht, omdat ik hier in Amerika alleen maar gevulde bh's kon vinden. Een gewone katoenen stretch-bh voor de erwtjes van een negenjarig meisje kan ik me nog voorstellen, maar ZWART?
       "Jij hoeft toch nog helemaal geen bh te dragen?" vraag ik. "Je hebt er pas eentje nodig als een potlood onder je borsten vast blijft zitten." Zoiets heb ik tenminste ooit ergens gelezen. Wel heel lang geleden eigenlijk. Misschien tijdens de tweede feministische golf?
       "I don't care," zegt Rebecca. "They wobble and that irritates me." Ik ben er een beetje beduusd van. De lichte welvingen van Rebecca zijn niet groter dan die van Emma. Ik kan me niet voorstellen dat er al iets te wiebelen valt.
       Als ik later thuis ben spreek ik er Emma maar eens op aan. "Rebecca zegt dat ze al een bh draagt."
       "O ja" zegt Emma. "Wel meer meisjes hoor. Op Rebecca's verjaardagsfeestje waren er wel vier die er eentje aan hadden."
       "Hoe weet je dat dan?" vraag ik. Ik kan me niet herinneren dat het een feestje was waar ze zich moesten omkleden.
       "Dat lieten ze gewoon zien. Eén meisje had een rode, één had er eentje met streepjes, één had een roze met bloemetjes, heel lelijk, en Rebecca had een zwarte." Lieve help, meisjes van nog nauwelijks negen. Amerikanen zijn erg preuts. Moet de geringste welving al meteen verhuld worden?
       Ik probeer me te herinneren wanneer ik zelf mijn eerste bh kreeg. Volgens mij ben ik die zelf gaan kopen. Ik zal toch zeker dertien zijn geweest. Maar ja, mijn dochter is net als Rebecca inderdaad al niet helemaal plat meer.
       "Als jij er zelf ook last van hebt, dan moet je het me maar zeggen hoor," zeg ik. "Ik wil er best één voor je kopen." Emma trekt de hals van haar t-shirt naar voren, kijkt naar wat er onder zit en springt twee keer op en neer.
       "Nee hoor" zegt ze. "Het wiebelt niet." Ik ben blij met haar laconieke houding. Misschien speelden die bh-draagsters vroeger wel met Barbies. Emma heeft daar nooit zo van gehouden. En blote dames op de voorpagina van tijdschriften in de supermarkt vindt ze maar stom.
       "Bh's en jongens" zegt Emma. "I don't understand why they are suddenly so important . Ze bleven er maar over doorgaan op dat feestje."
       Jongens!? Is hier de uitleg van al die bh's? Een nieuwe fase in de ontwikkeling tot puber?
       Ik geloof dat ik nog maar even blij moet zijn met mijn dochters demonstratieve "YUK!" bij romantiek op de televisie. Ze groeit al hard genoeg.

 

 

SLEEPOVER PARTY                                                                           Zomer 2002

Vandaag is Emma's verjaardagsfeestje. Als je negen wordt plan je gewoon allemaal zelf: zes vriendinnen, bezoek aan het zwembad, daar pizza eten en verjaardagstaart, en dan een sleepover. De volgende ochtend: video kijken en pannekoeken voor ontbijt, geen Amerikaanse, maar Nederlandse. Behalve een onverhoopte regenbui kan er niet veel mis gaan met zo'n plan. Ik suggereer alleen nog een nachtelijke speurtocht, want na drie jaar lang speurtochten verzinnen kan ik dat niet meer laten.
       Het zwemgedeelte gaat heel gesmeerd, met name als blijkt dat er wel drie jongens van school aanwezig zijn. Jongens zijn op het moment heerlijk uit den boze en al gauw is er fort gebouwd van ligstoelen en handdoeken. Dat de jongens later ook stiekum de plafondloze verkleedruime blijken te belegeren houd ik wijselijk voor me.
       Ook de speurtocht voor het slapengaan is een succes. Getooid met zaklantaarns en lichtgevende oorbellen zoeken we witte briefjes, die cryptische verwijzingen hebben naar spookachtige dingen verstopt in onze gemeenschappelijke tuin. Zo komen de grafsteen, schedels en andere griezeldingen van ons Halloween feest van vorig jaar nog goed van pas.
       Het is al behoorlijk laat als de kinderen eindelijk naar bed kunnen. Bas en ik slepen het king size matras naar het midden van Emma's kamer, waar drie meisjes op zullen slapen. Met de twee bedden die er al staan is er nog maar amper ruimte voor twee luchtbedden. Eéntje weet ik op te blazen met een ballenpomp. Het andere luchtbed blijkt behalve het opblaasgaatje ook een grote opening te hebben, volgens één van de meisjes bedoeld voor een föhn. Ze heeft volgens eigen zeggen al zo vaak een luchtbed zo opgeblazen dat ik het geheel aan haar overlaat.
       Het luchtbed bolt inderdaad indrukwekkend snel op, maar dan blijkt de haardroger ook te zijn doorgebrand en de ingang van het luchtbed gesmolten. Op dat moment komt Azul, vriendinnetje nummer zeven aan, die gisteren op de valreep nog was uitgenodigd maar op wie we om half elf 's avonds eigenlijk niet meer hadden gerekend. Bij gebrek aan het tweede luchtbed liggen er nu al vier meisjes op het grote matras. Azul moet dan maar samen met Miriam op één van de eenspersoonsbedden, gelukkig zijn beide meisjes vrij klein.  
       Maar Miriam heeft net ontdekt dat ze haar knuffelolifant vergeten is en ook haar eigen kussen. De babysitter verwacht haar ouders ieder moment thuis. Daar blijkt ze zich in te vergissen. Miriam, die zonder haar eigen kussen weigert te liggen, zit dwars in een hoekje van het eenspersoonsbed, terwijl Azul, vorig jaar nog haar beste vriendin, zich aan op de andere kant van het matras nestelt.
       Het is inmiddels elf uur en er is nog geen teken van Miriams ouders. Dan haal ik olifant en kussen zelf maar op, want Bas is allang, met mijn permissie, weggevlucht. Als ik vier straten verder aankom staan Miriams schuldbewuste ouders, net terug, me al op te wachten.
       Thuisgekomen geef ik Miriam haar spullen, leg Tim in bed, commandeer de meiden te slapen en schenk mezelf een gin tonic in . Dan komt Miriam naar beneden. Of ik morgenochtend nog wat speciaals ga doen, want anders wil ze liever naar huis. Ik laat Miriam haar ouders bellen, help haar met het vinden van haar spullen en draag haar over aan haar moeder. Als ik eindelijk aan mijn gin tonic wil beginnen komt Grace naar beneden. Die wil ook naar haar eigen bed. Het is inmiddels kwart voor twaalf.
         Als ook Grace is opgehaald schenk ik mezelf een tweede gin tonic in. In ieder geval hoef ik Tims onmogelijke onderschuifbed niet meer tevoorschijn te halen: ik leg hem gewoon op het luchtbed van Grace, dan kan ik zelf in zijn bed. En morgen hoef ik maar voor zes meisjes pannekoeken te bakken. Als ik daar nog puf in heb.

 

 

TANDENFEETJE                                                                                Lente 2003

Het is zo'n regenachtige zondagochtend waarin we allemaal wat voor onszelf doen. Bas doet boodschappen, want dat kan hier in Amerika iedere dag van de week. Emma zit te breien aan haar allereerste das, ik lees de krant en Tim zit z'n favoriete lectuur door te nemen: speelgoedcatalogi van postorderbedrijven. Op de achtergrond speelt muziek die bij zo'n knusse ochtend past.
       De kinderen zijn rustig en onderbreken mijn leesgenot niet meer dan één keer per tien minuten. Emma houdt om de drie pennetjes trots haar das omhoog die iedere keer keer weer ietsje langer is. En Tim laat steeds zien wat hij óók nog voor zijn verjaardag wil hebben. Het duurt nog drie maanden voor hij zes wordt en de lijst is nu al oneindig lang.
       Als Tim iets uit een catalogus van dichterbij wil laten zien valt het me ineens op. Zijn linkerhoektand aan de onderkant staat scheef. Ik steek mijn vinger in zijn mond en voel er aan. Verdomd, die jongen is er vroeg bij.
       "Hee, Tim, je tand zit los!" roep ik enthousiast terwijl ik de tand een beetje wiebel. Dat had ik beter niet kunnen doen. Met een zus die al in geen twee jaar meer gewisseld heeft is Tim volledig onvoorbereid. Hij slaat in paniek zijn hand voor zijn mond en zet het op een brullen.
        Ik trek hem bovenop de krant op mijn schoot. "Maar Tim," zeg ik."Dat is heel gewoon! Dat gebeurt bij alle kinderen als ze zo oud zijn als jij. De tand gaat er uit en op die plaats groeit een nieuwe!" Het mag niets baten.
       "IK WIL GEEN LOSSE TAND" roept mijn zoon gesmoord van achter z'n hand. "IK WIL NAAR DE TANDARTS." De tandarts, blijkt tussen de snikken door, moet de tand weer maken. Want Tim wil geen gat in z'n mond.
       Ik denk aan al de knuffelbeesten waar Tim subiet de belangstelling voor verloor zodra er een gat in kwam. Mijn zoon heeft een probleem met imperfectie. En nou gaat er bij hem zelf iets stuk, geen wonder dat hij zo is geschrokken.
       Emma heeft haar breiwerk in de steek gelaten. Ze is helemaal vertederd over zoveel verdriet. Samen proberen we Tim uit te leggen hoe het zit met wisselen. Dat het hoort bij groter worden, dat het iets is om trots op te zijn. Maar Tim wil helemaal niet groot worden en hij is ook niet trots. Hij wil ALTIJD klein blijven.
       Uiteindelijk komt Emma met haar verzameling melktanden aan die ze altijd heeft bewaard. "Kijk," zegt ze. "Als je tand er uit is gekomen dan leg je hem onder je kussen. En voor iedere tand krijg je een dollar. Dat doet de tooth fairy."
       Het Amerikaanse tandenfeetje blijkt de oplossing te zijn. Langzamerhand komt Tim tot bedaren. Emma gaat op zoek naar de videoband met een Arthur aflevering over losse tanden. Als ik later in de speelkamer kom kijken is Tim druk aan het tekenen.
       Het is een envelop. Er staan tanden op, een mond met wel vier gaten en vele dollars. Want daar blijkt de envelop voor bedoeld te zijn. "Weet je wat ik ga kopen als ik de dollars krijg?" vraagt Tim. Hij laat me zijn meest favoriete speelgoed in de catalogus zien, iets van Playmobil.
       "Bestaat de tooth fairy echt of geven moeders eigenlijk het geld?" vraagt hij vervolgens zakelijk. Het heeft me altijd verbaasd hoe weinig je Tim ergens mee kan bedriegen.
       "Alle kinderen geloven dat ze bestaat," zeg ik maar diplomatiek. "Emma schreef haar zelfs brieven."
       Emma geloofde heilig in de tooth fairy. Bij haar eerste tand schreef ze de fee een brief met het verzoek of ze de tand mocht houden. Bij haar tweede tand vroeg ze hetzelfde, maar het feetje mocht zelf beslissen of ze dan toch het geld kreeg. Ook dit keer liet het feetje een dollar achter. Toch was Emma de derde keer zo bang dat de fee boos zou dat ik mijn snikkende dochter toen maar uit de droom heb geholpen.
       Met Tim verwacht ik niet zo'n gewetenswroeging. Hij moet vreselijk lachen als hij hoort dat Emma zowel tanden als dollars mocht houden. Dat kunststukje zullen we straks nog wel herhaald zien.

 

 

GOOCHELEN                                                                                       Lente 2003

Ik heb van die creatieve kinderen die als ze iets in hun hoofd krijgen dat ook meteen willen doen. Hun moeder is helaas precies hetzelfde. Dat komt dan ook vaak slecht uit, want ik ben altijd wel ergens mee bezig.
       Mijn kinderen weten, door ervaring wijs geworden, feilloos te ontdekken wanneer een vraag of verzoek om hulp het ene oor in gaat en het andere oor uit. Emma reageert op mijn verstrooid "Jaha" of "Zometeen" met een streng "Heleen, luister je wel?" Tim pakt het heel praktisch aan: hij grijpt mijn kin en draait die gewoon dwingend naar zijn gezicht.
       Zelfs deze methoden resulteren niet altijd onmiddellijk in de gevraagde aandacht. Maar lichte gevoelens van onbehagen en schuldgevoel wuif ik weg met de redenering dat ik hierdoor het doorzettingsvermogen en de zelfstandigheid van mijn kroost bevorder. Geheel onwaar is dat niet: beiden hebben een enorme vasthoudendheid ontwikkeld. En vaak blijken ze, als ik eenmaal klaar ben met waar ik mee bezig was, het probleem zelf te hebben opgelost.
       Vanavond ben ik alleen thuis met de kinderen en we zijn allemaal met iets bezig. Emma denkt na over de hoofdpersoon voor een stripverhaal en wil voortdurend weten wat ik van haar schetsen vind. Tim heeft een moeilijk boekje gevonden met voorbeelden van dieren om te vouwen, iets waar ik beslist nu geen tijd voor heb. Ik zit namelijk een karikatuur te verknippen die gisteren op een uitmarkt van ons drieën is gemaakt. De hoofden van de kinderen zijn tamelijk goed gelukt maar mijn hoofd daartussenin moet er absoluut uit.
       Het nieuwe lijstje, waarin de twee overgebleven hoofden mooi passen, blijkt het mooist te hangen op de plaats van mijn klok. De klok moet dan maar verhuizen naar de plaats van die ene poster die toch weg moest. En ach, als ik dan toch bezig ben kunnen die andere lijstjes ook maar beter van plaats verwisselen.
       Als ik uiteindelijk klaar ben met de boormachine zijn de kinderen naar boven gevlucht. Emma zit op haar kamer te tekenen en Tim verdiept zich met zijn zusters toestemming in haar goocheldoos. Ik schrik als ik zie hoe laat het al is. "Kom op jongens, bedtijd, pyjama's aan en tanden poetsen" roep ik naar boven. Maar daar komt Tim de trap af met een zwarte plastic hoed op en een goochelstaf in zijn hand.
       "Ik ga een show geven," roept hij. Mijn blik dwaalt naar de klok die nu boven de bank hangt en dan naar mijn zoons verwachtingsvolle hoofd onder de hoed. Tim heeft vandaag niet zoveel aandacht gehad, dus ik zwicht.
       "Kom op Emma, nog even een goochelshow kijken," roep ik. Emma, altijd bereid tot uitstel van bedtijd, komt gewillig beneden en gaat naast me zitten op de bank.
       Tim heeft de pianokruk in het midden van de kamer geschoven met een plaid erover, waar hij geheimzinnig achter verdwijnt. Het wordt een geweldige show: iedere keer als wij onze ogen open doen haalt hij weer een ander knuffelbeest uit de hoed. Hij krijgt een daverend applaus. Als klap op de vuurpijl belooft Emma haar moeders hoofd uit de hoed te toveren. En zowaar: voor mijn verblufte ogen komt de mislukte karikatuur van vanmiddag tevoorschijn, die ze uit de prullenbak heeft gevist.  
       Het kost me moeite om mijn uitgelaten kinderen in bed te krijgen. Als ik eindelijk uitgeteld beneden kom kijk ik naar de enorme bende die het resultaat is van de bedrijvigheid van vandaag. Eén ding dat ik mezelf in de afgelopen jaren aangeleerd: geen huishoudelijke arbeid doen als de kinderen in bed liggen. Morgen ga ik opruimen.

 

 

BLINDE DARM OP ZOLDER                                                   Herfst 2004

In Amerika heeft iedere school een verpleegster. Ze neemt koorts op, plakt pleisters, checkt luizen, en beheert medicijnen en asthma inhalators. Tussen dit alles door doceert ze hygiene, gezondheid en, voor de oudere kinderen, seksuele voorlichting. En als er iemand ziek wordt dan belt ze naar huis.
       Vanmiddag belde ze mij.
       “Ik heb Tim hier. Hij kan niet meer lopen, heeft beginnende koorts en pijn aan de rechterkant van zijn onderbuik. Misschien z'n blinde darm. Kom hem maar gauw ophalen.”
       Het is vrijdag, en dokters hier hebben geen avond- of weekenddienst. Onderweg bel ik dus maar meteen om een afspraak. Ik kan gelukkig over een uur al terecht.
       Op school loopt Tim me als een oud mannetje tegemoet.
”Het doet niet zo pijn als ik voorover buig,” zegt hij. Zijn gezicht voelt inderdaad een beetje warm.
       Ik zie dat hij zijn broekspijpen, die boven de knieen kunnen worden gesplitst, heeft afgeritst. Die broek was een compromis vanmorgen, de eerste koude ochtend in de herfst. Ik stond op een lange broek en Tim wilde zijn nieuwe niet aan.
       Ik kijk nog eens goed naar dat kromme middeltje. Zit die oude broek niet een beetje te strak? Ik doe de knoop boven de gulp open.
       “Ha!” zegt Tim. “Nou kan ik weer recht lopen!” Thuis voelt zijn gezicht al niet meer zo warm. En de pijn is eigenlijk ook al een stuk minder. Dat lijkt niet op een blindedarmontsteking.
       De dokter denkt dat gelukkig ook. Maar ze wil wel wat meer weten over die diarrhee waar Tim regelmatig last van heeft. We krijgen wel vijf potjes mee om het eens nader te laten bekijken.
       's Avonds aan tafel vertellen we alles in geuren en kleuren aan Bas en Emma.
       “Nou, en die broek, die moeten we ook maar weg doen” zeg ik. “Daar is hij helemaal uitgegroeid.”
       “Niet weggooien!” roept Tim verschrikt. “Ik wil hem bewaren!”  
       Bas kreunt ostentatief. “Te bedenken wat er allemaal al op zolder ligt”.
       Tim worstelt al lange tijd met vergankelijkheid. Speelgoed dat stuk is moet toch worden bewaard. Kleren die te klein zijn kunnen ook niet weg. Tekeningen mogen niet geselecteerd. En eind december heeft Tim dagenlang gehuild om het Oude Jaar, dat nooit meer terug zou komen.
       Toen Tim zelfs prullebakken en vuilnis ging controleren besloten we dat voortaan alles “Op Zolder” zou worden bewaard. De kinderen kunnen daar zelf niet komen. Maar sinds ik er inderdaad wat verloren gewaand speelgoed vandaan heb kunnen toveren, is Tim tevreden met deze optie. Dat niet alles onze selectiecriteria passeert weet alleen zijn zus.
     “Weet je nog, Tim, dat je ooit een emmer met een barst onderin bij de vuilnis hebt weggehaald?” vraag ik.
      “Oh ja,” zegt Bas. “Die staat op zolder naast je oude kleren.”
      “En naast het speelgoed dat we hebben bewaard!” vul ik aan.
      “En de bloemen uit de vuilnisbak!” roept Emma.
      Ik zal nooit mijn zoons smartelijk vertrokken gezicht vergeten met in zijn hand het bosje verwelkte tulpen dat ik die middag had weggegooid.
      Gelukkig maar dat Tims blinde darm niet hoeft te worden weggehaald. Want hoe zouden we die nou hebben moeten bewaren?

 

 

Ga naar Heleens thuispagina